Overeenkomst

Partijen,

De vereniging MBO Raad, gevestigd te De Bilt, te dezen statutair of krachtens volmacht vertegenwoordigd door de heer J. van Zijl en de heer R. Wilcke, verder te noemen de MBO Raad

 

En
–    de Algemene Onderwijsbond, gevestigd te Utrecht, te dezen statutair of krachtens volmacht vertegenwoordigd door de heer G.J.W.M. Stemerding,

–   CNV Onderwijs, gevestigd te Utrecht te dezen statutair of krachtens volmacht vertegenwoordigd door de heer W.J. Berg,

–   ABVAKABO FNV, gevestigd te Zoetermeer, te dezen statutair of krachtens volmacht vertegenwoordigd door de heer R.C. van Baalen,

–    UNIENFTO, gevestigd te Culemborg, te dezen statutair of krachtens volmacht vertegenwoordigd door de heer G. Jacobse,

–   de Centrale van Middelbare en Hogere functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen (CMHF), gevestigd te Den Haag, te dezen statutair of krachtens volmacht vertegenwoordigd door de heer G. Jacobse,

verder te noemen de vakbonden

Overwegende

–   dat in het wetsvoorstel Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de ondernemingsraden in verband met de medezeggenschap van personeel en deelnemers in de educatie en het beroepsonderwijs (wet medezeggenschap bve) is opgenomen dat met het oog op de voortdurende verbetering van de professionaliteit van het personeel de sociale partners in de mbo-sector een professioneel statuut opstellen;

–   dat partijen en de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen (OCW) in het Convenant Aktieplan Leerkracht van Nederland in 2008 afspraken hebben gemaakt over de wettelijke verankering van de professionele ruimte (zeggenschap) van de docent;

–   dat partijen het gelet op de ontwikkelingen in de sector wenselijk oordelen om nog voordat het wetsvoorstel medezeggenschap bve kracht van wet krijgt en de wettelijke verankering van de professionele ruimte van de docent plaatsvindt afspraken te maken over het professioneel statuut;

–   dat partijen op 9 juni 2009 afspraken hebben gemaakt, die hebben geleid tot de vaststelling van het hier vastgelegde professioneel statuut dat door ondertekening van deze overeenkomst geldt voor onbepaalde tijd vanaf het moment dat de Wet op de ondernemingsraden van toepassing wordt in de mbo-sector,

komen het volgende Professioneel Statuut overeen.

Preambule

In het wetsvoorstel Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de ondernemingsraden in verband met de medezeggenschap van personeel en deelnemers in de educatie en het beroepsonderwijs (wet medezeggenschap bve) is opgenomen dat met het oog op de voortdurende verbetering van de professionaliteit van het personeel de sociale partners in de mbo sector een professioneel statuut opstellen.

Tevens hebben sociale partners en de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen (OCW) in het Convenant Aktieplan Leerkracht van Nederland in 2008 afspraken gemaakt over de wettelijke verankering van de professionele ruimte (zeggenschap) van de docent in het kader waarvan te zijner tijd eveneens een professioneel statuut tot stand zou moeten worden gebracht.

De vakbonden en de MBO Raad hebben het gelet op de ontwikkelingen in de sector wenselijk geoordeeld om nog voordat het wetsvoorstel medezeggenschap bve kracht van wet krijgt en de wettelijke verankering van de professionele ruimte van de docent plaatsvindt afspraken te maken over het professioneel statuut.

In het professioneel statuut worden naast bepalingen over professionaliteit afspraken gemaakt over extra bevoegdheden van de ondernemingsraad (WOR) op het moment dat de Wet op de Ondernemingsraad van toepassing wordt voor de medezeggenschap van het personeel in de mbo sector. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van artikel 32 van de WOR om bij collectieve arbeidsovereenkomst de ondernemingsraad verdere bevoegdheden toe te kennen. Het professioneel statuut wordt als bijlage als een zelfstandige voor onbepaalde tijd bindende overeenkomst opgenomen in de cao BVE en geldt vanaf het moment dat de Wet op de ondernemingsraden van toepassing wordt in de mbo sector. Deze overeenkomst kan uitsluitend met instemming van alle ondertekenende partijen worden gewijzigd.

In het professioneel statuut wordt tevens de zeggenschap van de docent gewaarborgd.

Professioneel Statuut

  1. De medewerker in het onderwijs is een professional die zijn beroep bewust, verantwoord en met de benodigde vakbekwaamheid verricht. Voor de docent in het MBO zijn de vakbekwaamheidseisen gegeven in de Wet BIO maatgevend. Voor zover daaraan binnen de instelling nadere invulling wordt gegeven, worden de medewerkers die het betreft betrokken bij de besluitvorming daarover.
  2. De medewerker borgt samen met zijn collega’s in teamverband de kwaliteit van de beroepsuitoefening ten behoeve van het onderwijs en legt daarover intercollegiaal actief en ongevraagd verantwoording af.
  3. De medewerker stelt zich in het team waarbinnen hij werkzaam is collegiaal op. Voor medewerkers die betrokken zijn bij het directe onderwijsproces geldt dat onderwijs geven in hoge mate teamwerk is. Hierbij wordt erkend dat deze ruimte voor samenwerking beperkingen oplegt aan de individuele invulling van het zelfstandig handelen.
  4. De organisatie schept ruimte voor medewerkers om professioneel handelen te optimaliseren. De medewerker investeert in dit proces door het op peil houden van zijn vakbekwaamheid, onder andere ten aanzien van de ontwikkelingen in het bedrijfsleven en de onderwijsketen, en actieve deelname aan het werkoverleg.
  5. De professionele medewerkers worden binnen de instelling actief betrokken bij de totstandkoming van het beleid van de organisatie op de terreinen waar hun beroepsuitoefening betrekking op heeft.
  6. Op de instelling worden door middel van een regeling voor het werkoverleg afspraken gemaakt over de wijze waarop de betrokkenheid van de professionele medewerkers bij de totstandkoming van dit beleid wordt geregeld, waarbij het uitgangspunt is dat er een goede afstemming komt tussen de zeggenschap van de professionele medewerkers en de medezeggenschap van de ondernemingsraad.
  7. In verband met het waarborgen van de betrokkenheid zoals omschreven onder de punten 5 en 6 worden de volgende extra bevoegdheden toegekend aan de ondernemingsraad.Adviesbevoegdheid (conform artikel 25 WOR):
    a.   aanbod van opleidingen;
    b.   onderwijskwaliteitsbeleid;
    c.   deelneming aan onderwijskundige experimenten voor het personeel;
    d.   meerjarig financieel beleid;
    e.   medezeggenschapsstatuut.Instemmingsbevoegdheid (conform artikel 27 van de WOR):
    f.   belangrijke verandering van de onderwijskundige doelstelling;
    g.  de personele gevolgen van deelneming aan onderwijskundige experimenten;
    h.  wijziging aanstellings- of ontslagbeleid, ook indien deze wijziging verband houdt met grondslag van de instelling;
    i.   organisatie van de examens;
    j.   formatiebeleid;
    k.  taakbelastingsbeleid;
    l.   taakverdelingsbeleid, voor zover dit niet in de cao geregeld is;
    m. reglement werkoverleg om zeggenschap van docenten te regelen: aangelegenheden pedagogisch-didactische aanpak;
    n.   aanvulling professioneel statuut (Indien er op instellingsniveau een uitwerking plaatsvindt, mag deze niet strijdig zijn met de afgesproken regeling en behoeft deze uitwerking de instemming van de ondernemingsraad.Zie toelichting

    De ondernemingsraad betrekt bij de voorbereiding van haar advies of bij gebruikmaking van het instemmingsrecht actief medewerkers voor wie het voorgenomen besluit gevolgen heeft.

  8. Er zijn onvermijdelijk situaties waarin organisatiebelang en de professionele inbreng kunnen botsen. Professionele medewerkers en het bevoegd gezag zijn zich ervan bewust dat een dialoog over de dilemma’s die kunnen ontstaan een bijdrage kan leveren aan verdere professionalisering van de organisatie en leveren een uiterste inspanning om daarover tot afstemming te komen.
  9. De rechtsbescherming die de medewerker op grond van zijn arbeidsovereenkomst en de cao bve geniet en de bevoegdheden van de ondernemingsraad in het kader van de Wet op de Ondernemingsraden bieden de waarborg dat in situaties waarin de dialoog niet tot oplossing leidt recht kan worden gedaan.
  10. Het bevoegd gezag (College van Bestuur, werkgever) erkent met de ondertekening van het professioneel statuut de professionele autonomie en verantwoordelijkheid van de medewerker en het recht om – binnen wettelijke, organisatorische en professionele kaders – zelfstandig en in collegiale samenspraak – beslissingen te nemen over de beroepsuitoefening. De medewerker erkent dat de eindverantwoordelijkheid voor zijn verrichtingen bij de werkgever berust. De medewerker is verantwoording verschuldigd over alle taken, inclusief de beroepsinhoudelijke aspecten die worden uitgevoerd ter vervulling van de functie.

Toelichting Punt 7 Professioneel Statuut

f. Belangrijke verandering van onderwijskundige doelstelling van de instelling
Het gaat daarbij om instemmingsrecht voor de ondernemingsraad ten aanzien van een voorgenomen besluit dat een belangrijke wijziging van de onderwijskundige doelstelling van de instelling tot gevolg heeft. Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de invoering van didactische modellen voor de gehele instelling.

i. De organisatie van het onderwijsprogramma en de examens
Partijen achten het van belang dat ten aanzien van het onderwijsprogramma en de organisatie van de examens zowel de medezeggenschap als de zeggenschap tot zijn recht komt. Dit wordt gerealiseerd door duidelijke afspraken te maken over wat tot het domein van de zeggenschap behoort en wat tot het domein van de medezeggenschap.

In het mbo is het onderwijsteam de basis organisatorische eenheid. Bij een goede uitoefening van de zeggenschap vindt binnen ieder onderwijsteam in collegiaal verband besluitvorming plaats over de uitvoering van het onderwijs. Het onderwijsteam is in eerste instantie verantwoordelijk voor het onderwijsproces, en bepaalt de didactisch-pedagogische aanpak en lesmethoden binnen de wettelijke eisen en binnen de door de instelling in overleg met de OR vastgestelde kaders. Dit is het “hoe” van het onderwijs. Het onderwijsteam legt daarover verantwoording af via de managementlijn teneinde de door de wetgever bij het bevoegd gezag gelegde eindverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van onderwijs inhoud te kunnen geven.

Op iedere instelling wordt een regeling voor werkoverleg vastgesteld waarin tenminste is opgenomen, dat binnen de wettelijke, financiële en beleidskaders over alle aangelegenheden betreffende de didactisch-pedagogische aanpak en lesmethoden in het werkoverleg van het onderwijsteam besluitvorming plaatsvindt. Hiermee is invulling gegeven aan de zeggenschap van de docent.

De ondernemingsraad heeft instemmingsrecht op het reglement voor het werkoverleg (artikel 27, lid 1 i WOR). Artikel 28, lid 2 WOR bepaalt dat de ondernemingsraad naar vermogen het werkoverleg bevordert, alsmede het overdragen van bevoegdheden in de onderneming, zodat de in de onderneming werkzame personen zoveel mogelijk worden betrokken bij de regeling van de arbeid in het onderdeel van de onderneming waarin zij werkzaam zijn.

De ondernemingsraad wordt geacht te waarborgen dat het team van docenten waarvoor het voorgenomen besluit gevolgen heeft, wordt betrokken bij de voorbereiding van het advies dat door de ondernemingsraad wordt uitgebracht.

j, k, l en d: Formatiebeleid, taakbelastings- en taakverdelingsbeleid, meerjarig financieel beleid.
In de Wet Medezeggenschap Onderwijs (WMO) waren bevoegdheden toegekend aan het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad. Het betreft bevoegdheden die de ondernemingsraad de mogelijkheid bieden medezeggenschap uit te oefenen op onderwerpen die voor een onderwijsinstelling van strategisch belang zijn. Het toekennen van deze bevoegdheden aan de ondernemingsraad in het kader van de WOR versterkt de positie van de ondernemingsraad.

Het betreft een instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een voorgenomen besluit met betrekking tot:

–    formatiebeleid
–    taakbelastingsbeleid en taakverdelingsbeleid voor zover niet in de cao is geregeld: Hoewel voorgenomen besluiten op deze onderwerpen ook aan te merken zijn als een regeling op het gebied van arbeidsomstandigheden waarvoor artikel 27, lid 1 onder d van de WOR een instemmingsrecht geeft, hechten partijen eraan dit nog eens expliciet te benoemen.

Het betreft een adviesbevoegdheid ten aanzien van het meerjarig financieel beleid

n. Uitwerking van het professioneel statuut op de instelling
Indien er op instellingsniveau een uitwerking plaatsvindt mag deze niet strijdig zijn met de afgesproken regeling en behoeft deze uitwerking de instemming van de ondernemingsraad.

Aldus in negenvoud opgemaakt en ondertekend te De Bilt op juni 2009 door:

namens de MBO Raad
de heer J.P.C.M. van Zijl

namens ABVAKABO FNV
de heer R.C. van Baalen

namens CNV Onderwijs
de heer W.J. Berg

namens de MBO Raad
de heer R.C.A. Wilcke

namens de Algemene Onderwijsbond
de heer G.J.W.M. Stemerding

namens UNIENFTO*
de heer G. Jacobse

* De UNIENFTO tekent mede namens de Federatie Onderwijsbonden CMHF